bouwrecht nr. 11 – november 2008

De Richtlijn Zorgvuldig Graafproces en de dagelijkse praktijk

door T. van Heumen

Op 1 juli 2008 is de WION (Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netwerken) beter bekend als de Grondroerdersregeling van kracht geworden. Invoering van deze wetgeving vloeit voort uit een breed onderzoek dat in opdracht van de Minister van Economische Zaken is verricht ter zake kabel- en leidingschade en het beoogde doel van de wet is de vermindering van het aantal graafschades.

Met name het toenemende maatschappelijke belang van de ongestoorde levering van drinkwater, energie, aardgas en telecommunicatie, zoals telefoon, fax en breedband internet, en de grote risico’s die met de beschadiging van buisleidingen met gevaarlijke inhoud samenhangen, liggen aan deze regulering door de overheid ten grondslag.

Tot voor kort werd binnen de branche getracht om het aantal incidenten terug te dringen door verscherpte controle bij de uitvoering van graafwerk en de vrijwillige KLIC-melding.

Door het CROW is in opdracht van het KLO waarin alle betrokken partijen hebben geparticipeerd een aanbeveling vervaardigd in de vorm van een richtlijn, waarvan wordt verondersteld dat deze voldoende duidelijkheid biedt voor de grondroerders en waarmee beoogd wordt om de verantwoordelijkheden van de bij de graafketen betrokken deelnemers op een heldere wijze te vermelden en te begrenzen.

De Richtlijn Zorgvuldig Graafproces geeft onder meer aan op welke wijze een proefsleuf dient te worden gegraven. De beschrijving hiervan in de handleiding ontbeert evenwel de vereiste duidelijkheid en tijdens een van de sessies op het Nationaal Kabels en Leidingen Congres van 15 september 2008 te Nijkerk is door de heren van het CROW helaas ook een onjuist en onvolledig beeld aan de toehoorders gegeven.

In een eerder stadium heb ik bij de uitoefening van het interessante vak van schade-expert vrijwel uitsluitend en specifiek op het gebied van kabel- en leidingschades al bemerkt dat ook door objectieve deskundigen de kans op onjuiste interpretatie van de richtlijn bestaat, waardoor niet alleen de grondroerders op een verkeerde wijze worden voorgelicht, maar ook de netbeheerders, verzekeraars of experts die in hun opdracht werken.

Indien in een wegberm werkzaamheden moeten plaatsvinden, waarbij zich in de bodem volgens de verkregen KLIC-tekeningen, zoals gebruikelijk in ons land, meerdere kabels en leidingen blijken te bevinden, dan kan de grondroerder niet volstaan met een of meer proefsleuven met een vermelde breedte van 2 meter en diepte van 1 meter, maar moeten ongeacht de werkbreedte van de grondroering alle daar aanwezige kabels en leidingen simpelweg opgespoord worden. De marge aan weerszijden van het vrij gegraven kabelbed bedraagt dus maximaal 2 meter, waarbij aan een zijde 0,50 meter buiten de uiterste kabel gegraven is en aan de andere zijde 1,50 meter ofwel 1 meter aan beide zijden.

Zelfs geoefende goed opgeleide lezers menen echter dat volstaan kan worden met een sleuf van 2 meter breed en sporen de daarbuiten gelegen kabels en leidingen niet op, waardoor het risico op schade en een daaruit voortvloeiende calamiteit nog steeds bestaat. De breedte van 2 meter is evenwel van toepassing per aanwezige kabel of leiding en die interpretatie van de richtlijn wordt zelden als zodanig begrepen. In de dagelijkse praktijk moet de richtlijn echter worden gebruikt door uitvoerders en grondroerders, die meestal lager opgeleid zijn, waardoor de kans op verkeerde interpretatie van de richtlijn groot is. Goede interpretatie van de richtlijn impliceert dat het nodig kan zijn om een proefsleuf met een breedte van 6 meter te graven bij de aanwezigheid van vier kabels of leidingen op een onderlinge afstand van 1 meter van elkaar. Werkvoorbereiders van grondroerders dienen dus hiermee rekening te houden om zich niet in de vingers te snijden bij calculaties en de hogere kosten dienen aan opdrachtgevers te worden doorbelast. Ik kom hierop nog terug met een recent voorbeeld uit de praktijk.

Tevens is de verwachting dat ook advocaten en rechters de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces zullen toepassen om een uitspraak te doen over de aansprakelijkheid bij een graafschade. Van evident belang is derhalve dat de juiste interpretatie van hetgeen werd bedoeld helder voor het voetlicht komt om te voorkomen dat ook juristen op het verkeerde been worden gezet en dat op die wijze een onjuiste uitspraak wordt gedaan of jurisprudentie tot stand komt.

Een tweede punt van discussie is de wijze waarop de grondroerder een proefsleuf dient te graven. Volgens de richtlijn is het machinaal graven van een proefsleuf toegestaan, mits er goed wordt voorgestoken met een schop. Echter, de door vele netbeheerders gehanteerde voorwaarden voor de uitvoering van werkzaamheden in de nabijheid van kabels en/of leidingen geven expliciet aan dat machinaal graafwerk binnen een afstand van 1 meter vanaf hun kabel of leiding niet is toegestaan.

Proefsleuven dienen derhalve altijd met de hand en schop gegraven te worden en dat kost uiteraard meer tijd dan wanneer dit gebeurt met behulp van een minigraver bemand door een machinist die wordt geassisteerd door een grondwerker.

In de eerste plaats wordt doorgaans een smalle bak gebruikt bij dat machinale graafwerk, omdat de grondroerder slechts de aanwezigheid en de ligging van de ondergrondse infra wil opsporen. In de tweede plaats wordt hierdoor het goed voorsteken door de grondwerker beperkt, omdat hij immers in de 30 -40 cm brede sleuf zou moeten stappen om na iedere graafbeweging weer voor te steken en zo nodig met de schop een aangetroffen kabel af te schermen voor de graafbak. Praktisch gezien ontbreekt de nodige bewegingsruimte en zal de kraanmachinist slechts mondjesmaat of helemaal niet door een grondwerker worden bijgestaan.

Dat impliceert dat in de dagelijkse praktijk tot op heden nog vrijwel uitsluitend machinaal proefsleuven worden gegraven ondanks de aanwezigheid van MS- of HS-kabels of hoge druk gastransportleidingen en daarmee wordt de kans op beschadiging van die ondergrondse infrastructuur groter.

Door aannemers die belast zijn met sonderingen of grondboringen, met het plaatsen van een bronnering of bij baggerwerken, wordt veelal in het geheel geen proefsleuf gegraven. De algemeen bekende werkwijze van een sondeerploeg is handmatig voorboren tot een diepte van 1 of 2 meter, waarna met de machinale sondering wordt gestart. Ik zal dit nader toelichten met een praktijk voorbeeld.

In het najaar van 2007 dienden in onderaanneming door een professioneel bedrijf een aantal sonderingen te worden verricht in de wegbermen langs een provinciale weg. De hoofdaannemer heeft een KLIC-melding gedaan, waarop de netbeheerders de digitale tekeningen aan die hoofdaannemer hebben gezonden. Om de uitvoering van het werk overzichtelijk te houden, wordt door de tekenkamer van de hoofdaannemer een overzichtstekening van de aanwezige ondergrondse infrastructuur gemaakt, waarop in kleuren de verschillende kabels en leidingen worden aangegeven. De onderaannemer wordt in het bezit gesteld van deze overzichtstekening, terwijl de KLIC-tekeningen in het bezit van de hoofdaannemer blijven.

De tekeningen van een netbeheerder geven nadere informatie omtrent de XY-ligging, diameter en materiaal, alsmede de lengtematen van horizontaal gestuurde boringen. Deze essentiële informaties worden echter niet op de overzichtstekening overgebracht, daar die tekening slechts bedoeld is om een indicatie van de ondergrond te verschaffen. Tussen de hoofdaannemer en de onderaannemer wordt dit terloops vermeld en wordt verwezen naar de KLIC-tekeningen. De onderaannemer vraagt die tekeningen echter niet op, zodat deze klus op basis van de onvolledige overzichtstekening zal worden uitgevoerd. De boormeester loopt vooraf met de uitvoerder van de hoofdaannemer langs het werk en samen stellen zij de plaatsen van de sonderingen vast. De vraag van de boormeester naar eventueel aanwezige boringen wordt ontkennend beantwoord door de uitvoerder, waarna met de klus begonnen wordt. De helft van de boringen wordt verricht met een sondeertruck en de andere helft met een sondeerrups. Op de plaatsen waar de sondeertruck werkzaam is, wordt met de hand voorgeboord met een edelmanboor tot een diepte van 2 meter, waarna met de machinale sondering wordt gestart. Met meer geluk dan wijsheid verloopt dat werk zonder noemenswaardige problemen. Zonder kennis van de aanwezigheid en exacte ligging van de gestuurde boringen was de theoretische kans op schade namelijk groot.

Met de uitvoering van het werk door de sondeerrups heeft men minder geluk. Vanwege het relatief lage eigen gewicht van de verrijdbare machine, dient deze met een of meer ankers in de bodem verankerd te worden, voordat met de machinale sondering kan worden gestart. Deze sondeerrups heeft een werkbreedte van circa 2 meter en de boormeester en zijn assistent volstaan met het graven van een proefsleuf van diezelfde breedte tot een diepte van circa 1 meter. Bij het handmatig graven van deze proefsleuven worden onder meer een rioleringsbuis, een waterleiding, datakabels, een energiekabel en een gasleiding gevonden. Naar de tweede gasleiding die op de overzichtstekening is vermeld, wordt geen onderzoek verricht of verdere navraag gedaan.

Bij een van de laatste sonderingen wordt op een diepte van circa 4,50 meter een hogere weerstand bemerkt, maar de boormeester denkt dat een puinlaag hiervan de reden vormt en voert de sondering zoals gepland volledig uit.

Bij het terughalen van de boorstang wordt plotseling een gaslucht waargenomen, zodat de machine in verband met mogelijk explosiegevaar wordt uitgeschakeld. Direct wordt melding gemaakt van de calamiteit bij de uitvoerder, die echter niet in het bezit blijkt te zijn van het storingsnummer van de netbeheerder, waardoor onnodige vertraging ontstaat. Bij aankomst van de eerste medewerker van de netbeheerder wordt meteen om assistentie verzocht daar vermoed wordt dat de 3 bar gasleiding is lek geraakt. Tevens wordt een veiligheidszone met markeerlint en verkeersborden afgezet, terwijl via de meldkamer ook politie en brandweer worden gealarmeerd.

Om de transportleiding drukloos te maken en het gastransport om te leiden moeten er vier afsluiters manueel worden bediend door de inmiddels aanwezige storingsploeg. Ondertussen wordt door omwonenden bij de meldkamer van de netbeheerder gemeld dat men gas ruikt en tijdens het verificatiegesprek vindt bij een van de woningen een gasexplosie plaats. Door de brandweer wordt de brand geblust, terwijl de politie met de ontruiming van woningen is gestart. Aansluitend worden gasmetingen verricht in de woningen en de riolering, waarbij zowel in het riool als de woningen lage gasconcentraties worden gemeten. Men besluit tot ventileren en herhaalde gasmetingen, totdat deze voldoende zijn afgenomen na inblokken van de gastransportleiding.

Namens de energiebranche wordt opdracht gegeven aan een gerenommeerd instituut om een onderzoek in te stellen naar de oorzaak en toedracht van deze calamiteit en het rapport zal worden verspreid naar alle aangesloten netbeheerders. De onderzoeker van dit instituut komt op basis van de Richtlijn Zorgvuldig Graafwerk tot de voorlopige conclusie dat door de onderaannemer voldoende zorgvuldigheid in acht is genomen bij uitvoering van de sondering en dat hooguit een verwijt kan worden gemaakt aan de werkvoorbereiding die verzuimd heeft om de KLIC-tekeningen op te vragen. Voorts komen zij tot de voorlopige conclusie dat de hoofdaannemer een onvolledig beeld van de ondergrond is verstrekt en dat men op basis van de aanwezige KLIC-tekeningen gehouden was om essentiële informatie, zoals ligging en diameter, materiaal alsmede de aanwezigheid en lengte van boringen, door te geven aan de onderaannemer.

Uit onderzoek blijkt dat het vrijgekomen aardgas zich vanaf een diepte van 4,50 meter via de bodem heeft verspreid in horizontale en diagonale richting naar een hoger gelegen rioolput, waarna via het riool verdere verspreiding naar de woningen heeft plaatsgehad. Door een aanwezige drain langs de gevel van een van de woningen is het gas dus vrijgekomen en ontstoken door een gevelkachel. Door de explosie en daaropvolgende brand is lichte schade aan de woning en het interieur ontstaan; gelukkig was er niemand in de woning aanwezig, zodat er geen slachtoffers zijn gevallen.

Als belangenbehartiger namens de netbeheerder delen wij de voorlopige conclusies ten aanzien van de werkwijze van de onderaannemer niet. Immers, als deze de op de overzichtstekening aanwezige kabels en leidingen in de wegberm had opgespoord, dan had hij de 3 bar gasleiding waarschijnlijk niet gevonden. Vervolgens had hij navraag moeten doen bij de hoofdaannemer naar die gasleiding, waarna hij wel de correcte gegevens in handen had kunnen krijgen. Daarmee had de schade aan de gasleiding en de gevolgschade aan de woning van een particulier voorkomen kunnen worden.

De volgende dagelijkse constateringen in het veld met betrekking tot het al dan niet graven van proefsleuven spreken voor zich. Bij een bronnering door middel van een spuitlans wordt in het geheel niet handmatig voorgeboord en wordt geen proefsleuf gegraven, maar wordt de spuitlans, voorzien van een roterende kop, met de hand tot diep in de bodem gestoken, waarbij de kans op de beschadiging van een kabel of leiding groot is.

Aannemers die gespecialiseerd zijn in het slaan van aardingen blijken in de praktijk zelden een KLIC-melding te doen, daar zij kennelijk in de veronderstelling verkeren dat met een koperen staaf van 10 millimeter doorsnee de kans op schade aan een ondergrondse kabel of leiding tamelijk klein is. Deze staaf wordt tot grotere diepte in de bodem gedreven met behulp van perslucht om te bereiken dat zo min mogelijk weerstand wordt bereikt, dit in verband met de veiligheid van een laagspanningsinstallatie. Onderzoek naar de aanwezigheid en de ligging van ondergrondse infrastructuur wordt doorgaans geheel achterwege gelaten.

Bij horizontaal gestuurde boringen wordt in veel gevallen ook geen onderzoek verricht of een proefsleuf gegraven. Bij aankomst na een schademelding constateer ik bij 80% van de gevallen dat uitsluitend intrede- en uittredeputten zijn gegraven in een rechte lijn met de boring. Bij navraag naar de proefsleuven wordt doorgaans gewezen op de aanwezige putten welke uitsluitend zijn gegraven voor de toegang van de boorstang en niet om de aanwezige ondergrondse kabels en leidingen op te sporen.

Uiteraard is zo’n put in de lengterichting absoluut niet te beschouwen als een proefsleuf, die immers dwars op de werkrichting gegraven dient te zijn om te bewerkstelligen dat de aanwezige infrastructuur op een voldoende wijze in zicht is voordat met de boring wordt aangevangen. Tijdens de boring is vanwege het vrijkomende bodemmateriaal en grondwater slechts met moeite te zien of er nog voldoende afstand tot de bestaande kabels en leidingen wordt gehouden. Met name bij boringen met een scherpe dubbele bocht kan het voorkomen dat de boormachine langzaam maar zeker opschuift in de richting van een kabel of leiding, waardoor het buismateriaal tijdens de boring door de drijfstang van de boormachine wordt gefreesd en op een gegeven moment het daarin aanwezige medium onder druk vrijkomt.

Vanzelfsprekend heb ik er als schade-expert belang bij dat er veel graafschade ontstaat, zodat ik voorzien blijf van voldoende opdrachten van netbeheerders. Desalniettemin heb ik gemeend om in een ieders belang (we willen immers allemaal graag 7 x 24 uur verzekerd zijn van drinkwater, energie en internet) met deze publicatie aandacht te vragen voor deze problematiek om zo onnodige graafschade en discussies te voorkomen. Vooral nu een en ander tot de nieuwe wet en de richtlijn heeft geresulteerd.

Om geen enkel misverstand te laten bestaan over mijn bedoelingen, sluit ik af met een aantal belangrijke conclusies. De Richtlijn Zorgvuldig Graafwerk zegt in feite dat per kabel of leiding een of meer proefsleuven gegraven dienen te worden met een breedte van 2 meter en een diepte van 1 meter. Dat betekent dus dat alle aanwezige kabels en leidingen in de nabijheid van het werk opgespoord moeten worden. Daarbij acht ik het verstrekken van maten voor de proefsleuf van minder belang dan het opsporen van alle infra. Volgens de richtlijn is het machinaal graven van een proefsleuf toegestaan, mits er goed wordt voorgestoken met de hand en de schop. Vanuit praktische overwegingen is het machinaal graven van een proefsleuf af te raden, daar de kans op schade hierdoor wordt vergroot. Tevens is het machinaal graven in strijd met de voorwaarden die netbeheerders hanteren en blijkt in de praktijk het samenspel tussen kraanmachinist en grond- werker niet optimaal te zijn. Indien met de hand een proefsleuf wordt gegraven is de kans op graafschade klein en dat is uiteindelijk het doel van de wetgever.

Tot besluit nog een oproep aan alle netbeheerders die hun netwerken nog niet bij het Kadaster hebben gemeld – terwijl dit uiterlijk op 1 oktober 2008 gerealiseerd had moeten zijn – om dat zo spoedig mogelijk alsnog te doen. Uit berichtgeving van het KLO blijkt slechts 33% zich tijdig gemeld te hebben en dat is ronduit alarmerend. Ik bepleit een actieve benadering van deze bij het voormalige KLIC bekende netbeheerders en hen te manen om alsnog aan de wettelijke verplichtingen te voldoen.